Op de lijst met honderd jonge monumenten die de stad vorige week bekendmaakte, staan gebouwen die menig Amsterdammer liefst morgen gesloopt zou zien. Maar een monument hoeft niet per se mooi te zijn.
Nog geen veertig jaar oud is het pand dat een grote schaduw werpt over de Vijzelstraat. Het bankgebouw met de kenmerkende wandelgalerij en de glazen kunstvitrines is voor veel Amsterdammers een absoluut dieptepunt in de bouwgeschiedenis van de stad.
“Ook daarin schuilt het monumentale karakter,” zegt architectuurhistoricus Jeroen Schilt van Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) aan het begin van een rondgang langs naoorlogse monumentale gebouwen.
Op de brug over de Keizersgracht kan Schilt zijn enthousiasme niet verbergen. “Fantastisch toch. Duintjer, de architect, heeft het pand trapsgewijs naar achteren verhoogd. Op het oog is het pand net zo hoog als de naastgelegen grachtenpanden. De zwarte teerkleur van de grachtenpanden komt terug in de gevel, het wit van de kozijnen zie je weer terug in de verticale lijnen langs de ramen. Het pand rust op een inventieve en minimale constructie op de ondergelegen parkeergarage. De galerij ligt daardoor ook wat hoger dan de weg.”
Maar is het een monumentale status waard? Veel Amsterdammers zien het pand liever verdwijnen, dan tot in lengte van dagen worden bechermd. “Het gaat niet alleen om schoonheid, de protesten die gemoeid zijn gegaan met de bouw van dit pand in de jaren zeventig hebben ertoe geleid dat we anders zijn gaan nadenken over bouwen,” zegt Schilt. “Dit pand heeft in zekere zin geleid tot de nieuw gebouwde grachtenpandjes verderop in de straat en de beschermde binnenstad.”
Op het dak van het gebouw wijst portier Willem Bakema op de aflopende terrassen. “Van de voorkant blijft het gebouw een grote doodskist, eigenlijk zie je alleen vanaf hier dat het pand toch wel iets heeft.”
“Dat is de essentie van het pand,” zegt Schilt. “Vanaf hier zie je het gebouw aflopen, één, twee, drie laagjes. Compleet in lijn met de gevels van de grachtenpanden. De Bazel aan de overkant is eigenlijk de grote boosdoener, een paar verdiepingen hoger. We vinden het nu eenmaal mooier vanwege de detaillering.”
Twee jaar geleden maakte minister Ronald Plasterk een top 100 van beoogde Rijksmonumenten uit de wederopbouwperiode bekend. Dat noopte Amsterdam na te denken over de eigen top 100 van naoorlogse bouwkunst, onder meer omdat uit die periode veel verloren is gegaan. In de panden die nog bestaan, gaan naoorlogse ideeën over samenleving en economie schuil. Praktisch nut ging in die periode boven schoonheid.
“Je ontkomt daar niet aan in die wederopbouwperiode,” zegt Schilt, op weg naar het St Nicolaaslyceum in Zuideramstel. “Men bouwde toen eigenlijk heel praktisch, zonder gewin, vanuit de gedachte dat mensen moesten wonen of kinderen goed moesten leren.”
Het voorbeeld dient zich aan tussen het enorme groen van het Beatrixpark. De school moet wijken voor de oprukkende Zuidas. Weinig mensen zullen om esthetische redenen treuren om het verlies van de school. Een rechthoekig gebouw met op het oog weinig uitstraling.
“Maar een prachtige glazen gevel,” aldus Schilt. “Je ziet in dit gebouw het enorme optimisme van de jaren zestig terug. Ruim, veel licht, lucht en een enorme binnenplaats. Gedacht vanuit het kind. De kozijnen en deuren zijn van staal, heel bijzonder en ook weer typerend voor die tijd.”
Schilt vindt het treurig dat de school moet wijken voor de oprukkende Zuidas: het grote geld versus het vooruitgangsdenken uit de wederopbouwperiode. In die tegenstelling schuilt ook een motief om het pand toch op de lijst van gebouwen te zetten die behoren tot de absolute top van de Amsterdamse architectuur en stedenbouw.
“Doodzonde dat dit verdwijnt. Over een jaar of tien was het sowieso een monument geweest, iets dat we echt mooi hadden gevonden. De school doet toch een beetje denken aan de Van Nelle fabrieken. Het patroon van de gevel is heel bijzonder, vierkanten en rechthoeken in een goed ritme”
Praktisch redenen kregen opnieuw de voorkeur boven esthetische – al vindt Schilt het pand prachtig. De school is zonder gewin in een groene omgeving gebouwd, het idee van veel groen en buitenruimte speelt ook mee in de naoorlogse woningbouw. “De jaren vijftig en zestig zijn misschien wel de aardigste uit de geschiedenis. Er was een enorme maatschappelijke beschaving. Een voorbeeld is Slotervaart. Daar werd ruim gebouwd, met veel groen,” aldus Schilt.
Ruimer en groener kan het bijna niet in het monumentale ‘Blue-Banddorp’ in Slotervaart. De kleine zaagtandwoningen schuiven in elkaar, alleen de dakrand is versierd met een blauwe strook, de schoonheid is het groen voor de deur. De drukte van de Plesmanlaan en de Johan Huizingalaan ontgaat je volkomen.
“Het monumentale karakter schuilt bij deze woningen in de stedenbouwkundige achtergrond,” zegt Schilt terwijl hij een sjekkie draait. “Er is getracht om het spannender te maken met zo weinig mogelijk middelen. De typische strokenbouw, zoals je dat bijvoorbeeld in de Kolenkitbuurt ziet, wilden ze hier vermijden. Het zijn goede eengezinswoningen, niet groot maar voldoende voor de lage inkomensgroepen waar ze voor zijn gebouwd.”
Slotervaart is bij uitstek een stadsdeel waar veel woningen liggen die lelijk worden genoemd. Al rokend relativeert Schilt: “Wij noemen wijken zoals deze al snel getto’s, maar in vergelijking met buitenlandse getto’s zijn het luxewijken.”
Het Parool, 16 mei