Erfgoed van een bezorgde tramconducteur

Gemeentepersoneel richtte een eeuw geleden zorgvereniging Willen is Kunnen op – bij gebrek aan verzekering. Nu kunt u naar zorghotel De Kim.

Midden jaren dertig kwam Ad de Graaf (92) bij de gemeente werken. Hij kon zijn geluk niet op; werk was schaars vanwege de economische crisis. Dat hij zich voor een schijntje kon verzekeren tegen ziekte was al helemaal bijzonder. “Voor een dubbeltje in de week was ik verzekerd van hulp voor het geval ik ziek zou worden. Dat was geen geld. Moet u zich bedenken; voor vijftien cent kocht ik een pakje sigaretten.”

Met zijn 76-jarig lidmaatschap is De Graaf één van de oudste leden van de zorgvereniging Willen is Kunnen, die onlangs haar honderdjarig jubileum vierde. “Het lidmaatschap was vrijwillig, maar te mooi om te weigeren.” zegt De Graaf. “In alle lagen van de gemeente werden nieuwe werknemers actief geworven voor Willen is Kunnen. Meneer Zijp van personeelszaken kan ik me nog goed herinneren. Hij bracht me alles bij over de vereniging.”

De vereniging bestond op dat moment alweer ruim twintig jaar. Willen is Kunnen werd in 1909 opgericht, dankzij de actieve inzet van een tramconducteur, Bernardus van de Puttelaar. Die vond het oneerlijk dat zieke collega’s vanwege de kosten niet geholpen konden worden. Heel wat Amsterdammers werden in die dagen geveld door de tuberculose. De enige remedie: rusten in een gezonde omgeving – en dat kostte flink wat geld.

“De tuberculose is de voornaamste reden geweest om de vereniging op te zetten,” zegt historicus Daan Meijer (48) die een boekje schreef over de geschiedenis van Willen is Kunnen. “Eén op de vierhonderd mensen stierf toentertijd aan de ziekte, nog veel meer mensen kregen er mee te maken.”

Willen is Kunnen begon al snel met het zenden van patiënten naar herstellingsoorden. De vereniging bekostigde dat uit een schappelijke contributie: in 1909 zes cent per week. Het succes bleef niet uit, drie weken na de oprichting telde Willen is Kunnen tweehonderd leden. Aan het einde van dat jaar waren het er zo’n elfhonderd, op een totaal van achtduizend gemeenteambtenaren.

“Volksverheffing was, samen met het idee van onderlinge solidariteit, een belangrijk uitgangspunt,” vertelt Meijer. “Het is heel knap dat de oprichters politieke en religieuze scheidslijnen hebben overwonnen. Zeker als je bedenkt dat elk onderdeel van de gemeente zijn eigen vereniging had, allemaal met hun eigen denkbeelden en idealen.”

De inzet voor de doelstelling is volgens Meijer opmerkelijk te noemen. “Ambtenaren kunnen archiveren als geen ander,” zegt hij. “Maar over de oprichter kon ik buiten Willen is Kunnen om bijna niets terug vinden. Hij stond verder helemaal niet zo in het maatschappelijk leven, terwijl het een tijd was waarin het verenigingsleven hoogtij vierde. Hij deed het voor Willen is Kunnen.”

De inzet van Van de Puttelaar loont, want het ledenaantal gaat gestaag omhoog. Ruim vierduizend leden dragen in 1919 iedere week netjes hun contributie af. Ook de bekendheid stijgt, in hetzelfde jaar kan de vereniging zelfs een liefdadigheidsconcert in het Concertgebouw organiseren. Dankzij het succes weten de gemeenteambtenaren in 1924 hun eigen herstellingsoord te openen: De Leemkuil, bij het dorp Bennekom in Gelderland.

Wil Kramer-Dekema (91) herinnert zich De Leemkuil nog levendig. Haar man was bijna dertig jaar voorzitter van de vereniging. “We gingen er wel eens een dagje heen en natuurlijk met kerst. Een ongelooflijk goede sfeer, iedereen kon er met elkaar opschieten. Voor zover ik kon beoordelen voelden de patiënten er zich op hun gemak.

Meijer: “Die betrokkenheid was kenmerkend. Dat zag je met kerst, maar evengoed wisten ze in Amsterdam precies hoeveel kopjes en eieren er aanwezig waren.”

In meerdere opzichten is de Tweede Wereldoorlog een breekpunt. Niet alleen komt Willen is Kunnen voor gewetensvragen te staan, ook de zorgbehoefte verandert. Het bestuur besluit mee te gaan met de Duitsers: Joden mogen geen lid meer zijn van de vereniging. Gekozen wordt voor continuïteit van de doelstelling.

Tekenend is een besluit over één van de Joodse oprichters. “Van de Puttelaar stelde voor een solidariteitsbrief naar Lopes de Leao te sturen. Het bestuur nam het besluit niet over. Volgens het bestuur waren bij De Leao de gevoelens over zijn persoon wel bekend.”

Ook wat betreft de gezondheidsvragen verandert veel. Aan het begin van de oorlog sterft nog maar één op de 2500 mensen aan tuberculose. Terwijl het aantal tbc-patiënten daalt, stijgt het aantal zenuwpatiënten. Die trend zet zich na de oorlog door, mensen zijn vaker overspannen.

Hans Tulleners herinnert zich die grote veranderingen nog goed. In 1972 stapt hij in het bestuur, waar vanhij in 1980 voorzitter wordt. “Er meldden zich steeds minder mensen met lichamelijke klachten. Stress en overspannenheid zijn na de oorlog de meest voorkomende klachten.”

Dat heeft volgens Meijer verschillende oorzaken. “De arbeid veranderde simpelweg, werknemers kregen meer taken op meer terreinen. Daardoor nam de stress op het werk flink toe. De maatschappij werd daarnaast losser, het aantal echtscheidingen steeg, de spanningen namen toe.”

Het is het begin van het einde voor Willen is Kunnen, zoals dat traditioneel had bestaan. Het verenigingsleven brokkelt langzaam af: in 1968 zijn bijna 18.000 mensen lid, daarna wordt dat aantal nooit meer gehaald.

“Toen ik bij de vereniging kwam, was de onderlinge solidariteit groot. Je zag het langzaam afnemen, steeds minder mensen bezochten de tot dan toe altijd goed bezochte ledenvergaderingen,” vertelt Tulleners. Het dieptepunt is voor hem de sluiting van De Leemkuil. “De wet veranderde. We kregen subsidie van het rijk. Maar dat stopte in 1988.”

Tulleners en het bestuur gooien het roer drastisch om. De vereniging wordt geprofessionaliseerd, Tulleners is de laatste voorzitter die gemeenteambtenaar is. Het lidmaatschap is niet meer voorbehouden aan ambtenaren en een nieuw herstellingsoord in Noordwijk, De Kim, richt zich alleen nog maar op fysieke klachten.

De beslissing is succesvol, maar breekt met de geschiedenis van de vereniging. Het herstellingsoord is inmiddels omgedoopt tot herstelhotel De Kim, een bv waarvan Willen is Kunnen de enige aandeelhouder is. De laatste fysieke banden met Amsterdam zijn tien jaar geleden verbroken. Tulleners: “Het kantoor werd overgeheveld van de Keizersgracht naar Noordwijk. Vanaf dat moment keken we niet meer uit over de bekende kastanje van Anne Frank.”

Ad de Graaf zag De Kim voor het eerst tijdens het honderdjarig jubileum. Hij vindt het prachtig. “Gelukkig heb ik er nooit gebruik van hoeven maken.”

100 jaar ‘Willen is Kunnen’ is te verkrijgen in de boekwinkel van het stadsarchief, voor vijftien euro. Vanaf 27 mei zijn beelden uit de geschiedenis van Willen is Kunnen te zien in de vitrines van het Vijzelstraatmuseum.

Het Parool,  20 mei