Kolenkitbuurt: de slechtste buurt van Nederland. Ruim vijftig jaar na oplevering wordt de buurt grondig vernieuwd. Maar er was altijd al een mix van geluk en problemen.
Een stralende dag. Beter hadden stadsdeelvoorzitter Jeroen Broeders en directeur Nico Nieman van woningcorporatie Eigen Haard het niet kunnen treffen. Gevierd wordt de start van de bouw van The New Kit; een zeventien verdiepingen tellende flat, die schever komt te staan dan de toren van Pisa. Het imposante gebouw moet het symbool worden van het vernieuwingsproces in de Kolenkitbuurt. In het zonnetje presenteren kinderen van de naastgelegen Bos en Lommerschool en St. Paulusschool daarom hun tekeningen op de omheiningen van het bouwterrein.
De buurt rond de kerk met een toren als een kolenkit stond begin dit jaar flink in de spotlights. RTL Nieuws achterhaalde de rangorde van de veertig probleemwijken die voormalig minister Ella Vogelaar in 2007 samenstelde; Amsterdam herbergt de slechtste buurt van Nederland. Van de zevenduizend inwoners – bijna negentig procent is allochtoon – leeft een derde op bijstandsniveau en de helft van de kinderen groeit op in een arm gezin.
Voor de bewoners in de buurt is de nummer 1-notering niets nieuws. Sinds de eerste woningen in de jaren vijftig zijn opgeleverd, voert de wijk al verschillende negatieve lijstjes aan. “Het nieuws verbaasde me niets,” zegt Hans van Rooij (63), die als één van de eerste bewoners opgroeide in de wijk. “Zolang ik me kan herinneren, heeft de buurt al een slechte naam.” Van Rooij koestert echter mooie herinneringen aan de buurt, die hij qua karakter eigenlijk nooit heeft zien veranderen. “In de beginjaren was het er niet anders dan nu.”
Uit nood geboren pioniers, dat waren de eerste bewoners van de Kolenkitbuurt. Zo ook de ouders van Van Rooij. “Mijn ouders en ik kwamen in 1951 in de Lauernessestraat terecht. Domweg omdat er plek was en deze woning ons werd toegewezen. Zo ging dat in die periode, mijn vader was kantoorbediende. Iedereen in de straat had een soortgelijk beroep. Ambtenaren, cipiers, douanebeambten. Dergelijke beroepen. Veel mensen uit Nederlands-Indië ook.”
Het waren de jaren van wederopbouw, veel geld had men niet en toch voelden de nieuwe pioniers zich de koning te rijk. “Het was een enorme vooruitgang,” zegt Van Rooij. “Een eigen keuken, een eigen wc en een eigen douche. Dat was nieuw. Voor een kind was het er fantastisch. Het was er ruim, je kon overal voetballen. Vooral de dijk sprak tot de verbeelding. Nu razen metro en trein er overheen, maar toen was het een centraal punt voor alle kinderen.”
Omdat de woningnood na de Tweede Wereldoorlog hoog was, werd in razend tempo een nieuw stukje stad tussen de huidige A10 en de ringspoordijk gebouwd. Dat werd gedaan om vooral kinderrijke arbeidersgezinnen en de zogenoemde repatrianten uit Nederlands-Indië te huisvesten. “Zo werd het de eerste gemixte wijkt van Nederland,” zegt stadssociologe Ineke Teijmant, schrijfster van het boekje De Kolenkitbuurt. “Het was een mix van protestanten, katholieken en socialisten. Iedereen woonde in eigen blokken, gebouwd door de eigen verzuilde corporatie, verdeeld naar de zetelverdeling van de eerste naoorlogse gemeenteraadsverkiezingen. Dat verklaart waarom de socialistische woningbouwverenigingen de grootste waren, tot in lengte van dagen.”
Volgens Van Rooij was dat duidelijk merkbaar in de wijk. “Je woonde gescheiden, gebaseerd op religie.” Dat maakt de verschillen met vandaag de dag daarom ook niet zo heel groot, meent Van Rooij. “Net als toen is er relatief weinig contact. En ook toen hing de jeugd maar wat op straat. Of in de kelderboxen die uitstekend geschikt bleken voor de jeugd om te oefenen in de liefde. Toen al, daar staan de kranten nu vol over, toch?”
Teijmant is wat genuanceerder. “Je moet niet vergeten dat die mensen er qua woning enorm op vooruit gingen, voorzieningen als keuken en douche hoefden niet meer gedeeld te worden. In de jaren vijftig had de buurt zodoende niet op het lijstje van Vogelaar gestaan. Wel was het toen al een krakkemikkige buurt. Er moest enorm bezuinigd worden op de bouw en bouwmaterialen. Het rijk en de gemeente stonden uiteindelijk voor de keuze: niet bouwen of uitgekleed bouwen. Elke frivoliteit is geschrapt, vooroorlogse idealen konden niet worden gerealiseerd. Dat heeft tot op de dag van vandaag zijn uitwerkingen.”
Beatrice Leyh (76) herinnert zich de Kolenkitbuurt uit haar tijd als jonge twintiger. Ze was net getrouwd toen ze in 1956 een woning kreeg toegewezen in de Woutertje Pietersestraat. “Aanvankelijk een hele vooruitgang. Mijn man en ik kwamen van een klein kamertje in de Van Baerlestraat, dertig vierkante meter zonder sanitaire voorzieningen. Bijna de helft van ons loon ging naar de huur van die kamer.” De tweekamerwoning met douche en keuken was daarom een enorme vooruitgang.
Maar: “Al snel kwamen de gebreken aan het licht. Vocht trok door de vloer omhoog en de ramen sloten niet goed. Na een beetje wind had je een hele laag zand in huis, er werd natuurlijk nog volop gebouwd,” aldus Leyh. “Op straat was ook maar weinig leven. Ik ben van het slag dat ervan houdt langs winkels te flaneren. Dat had je daar nauwelijks, in tegenstelling tot onze oude buurt. Met plezier deed ik boodschappen in de PC Hooftstraat, toen overigens nog een heel normale straat met een visboer en een bakker. In de week-einden fietsten we dan ook altijd naar het centrum.”
Leyh en haar man kregen in de Kolenkitbuurt ook te maken met een agressieve houding. “We werden voor vuile kapitalisten uitgemaakt door buurtbewoners, omdat we één van de eerste waren met een auto, een deux-chevauxtje. Op een dag stonden er allemaal kinderen op te springen. Die hele houding, dat agressieve– dat vond ik typerend voor die buurt. Het was niet ons soort mensen. Dat bedoel ik helemaal niet snobistisch. Het was nog een nieuwbouwwijk, een echte sfeer ademde het nog niet uit.”
De huidige problemen zijn toch van een heel andere aard dan die in de jaren vijftig. Teijmant: “In de jaren zeventig en tachtig waren de bewoners van het eerste uur toe aan de volgende stap in hun wooncarrière. Ook zij profiteerden van de welvaart uit de jaren zestig. Langzaam maar zeker vond er een wisseling van de wacht plaats, autochtonen vertrokken naar betere woningen. Nieuwe groepen allochtonen trokken de Kolenkitbuurt in, omdat nog steeds 95 procent van de wijk uit sociale huurwoningen bestond.”
Langzaam maar zeker ontstond er een scheve verhouding. “Veel allochtonen uit de Kolenkitbuurt die ik heb gesproken, vertelden me dat ze de uittocht met lede ogen aanzagen. Hun Nederlands ging achteruit.”
Tel daar het geïsoleerde karakter van de wijk tussen de A10 en het spoor bij op en de verklaring is rond, aldus directeur Nico Nieman van Eigen Haard, die zelf afkomstig is uit de Kolenkitbuurt. “Daardoor kreeg je ook negatieve verhuizers, mensen die de wijk ontvluchtten.” Het resulteerde in een wijk met hoge werkloosheidscijfers en taalachterstanden.
Teijmant hekelt overigens het lijstje van Vogelaar. “De lijst is tot stand gekomen op basis van gegevens uit 2002. Sinds 2004 is Amsterdam echter al bezig met het vernieuwen van de buurt. Bovendien zeggen die cijfers niets over de leefbaarheid, de kwaliteit van de buurt zit hem in de omgeving. De meeste buurtbewoners vinden het nog steeds een leefbare buurt.” De ingrijpende vernieuwingen geven wat Teijmant betreft goede hoop voor de toekomst. “De verhoudingen tussen sociale huur- en koopwoningen wordt gelijkgetrokken. Dat zal een gunstig effect hebben.”
Na de onthullingen van de tekeningen op de omheining van het bouwterrein schieten de kinderen snel alle kanten op. Op het schoolplein zijn de jongens alweer bezig met hun voetbalplaatjes, een ander groepje speelt bij de ringspoordijk. Directeur Maria Smiers van de St. Paulusschool hoopt dat de buurt positiever in het nieuws komt te staan. “Al die cijfers zeggen niets over de leefbaarheid, die is hier prima. Zelfs beter dan in de omgeving van mijn vorige school, in Zuideramstel.”
Verschenen in Het Parool, maandag 23 maart 2009